header_cardiologen3

Pacemakerimplantatie

Een pacemaker is een klein elektronisch apparaatje dat het hartritme bewaakt en zo nodig bijstuurt. Het wordt gebruikt voor de behandeling van bepaalde ritme- of geleidingsstoornissen die niet of onvoldoende reageren op medicatie. Een pacemaker controleert het hartritme voortdurend. Als het ritme te laag wordt geeft de pacemaker zelf extra prikkels af om het ritme te herstellen. Een pacemaker bestaat uit een grote batterij die vele jaren meegaat en een klein computertje. Het apparaatje wordt met één of meer elektroden met het hart verbonden.

 

Sinds de eerste pacemakerimplantatie in 1958 heeft de techniek een enorme vlucht genomen. Vroeger werden pacemakers alleen gebruikt om een te traag hartritme (bradycardie) te corrigeren. Tegenwoordig kunnen ermee ook bepaalde snelle hartritmes worden behandeld en wordt de techniek ingezet om de pompfunctie bij mensen met hartfalen te verbeteren. Bovendien houdt de huidige generatie pacemakers vaak rekening met de situatie van de drager. Bij inspanning zal de pacemaker meer prikkels afgeven om aan de behoefte van het lichaam te voldoen.

 

Soorten pacemakers

 

  • Bij de AAI-pacemaker ligt een elektrode in de rechterboezem. Wanneer de sinusknoop niet goed functioneert en niet of te traag een prikkel afgeeft zal de pacemaker inspringen.

 

  • De VVI-pacemaker stimuleert met een elektrode in de rechterkamer de samentrekking van de kamers. Deze soort wordt gebruikt wanneer er sprake is van chronisch boezemfibrilleren.

 

  • Bij de DDD-pacemaker liggen elektrodes in zowel de kamer als de boezem, waardoor de pacemaker beide kan aanzetten tot samentrekken. 

 

  • Een resynchronisatie-pacemaker (CRT-pacemaker), ook wel biventriculaire pacemaker genoemd, wordt gebruikt bij de behandeling van hartfalen. Soms is de pompfunctie van het hart verminderd doordat de kamers niet gelijktijdig samenknijpen. Het apparaat zorgt ervoor dat de kamers weer tegelijk samentrekken, waardoor de pompfunctie verbetert. Deze pacemaker maakt gebruik van drie elektroden; één in de rechterboezem, één in de rechterkamer en één op de linkerkamer.

 

De pacemakerimplantatie

 

Voor de implantatie van een pacemaker wordt de patiënt één of twee dagen opgenomen in het ziekenhuis. De pacemaker wordt onder plaatselijke verdoving op de katheterisatiekamer ingebracht, onder de huid, meestal links op de borst. 

 

Nadat de huid is verdoofd maakt de cardioloog een kleine snee in de huid. Vervolgens zoekt hij de ader onder het sleutelbeen op en schuift daardoor de elektroden op naar het hart. Daar worden ze vastgemaakt. Hierna wordt de werking van de elektroden door de pacemakertechnicus gecontroleerd. Als alles goed werkt worden ze verbonden met de pacemaker, die in een holte onder de huid wordt gelegd. Daarna wordt de huid met een oplosbare hechting gesloten of wordt de huid gelijmd.

 

Na de implantatie

 

Na de implantatie wordt de pacemaker gecontroleerd. De pacemakertechnicus legt hiervoor een apparaatje op de huid boven de pacemaker. Hiermee kan hij gegevens over de werking van de pacemaker uitlezen en het apparaatje zo nodig anders instellen. Om ervoor te zorgen dat de elektroden goed vastgroeien in de wand van het hart mag de patiënt een tijdje geen plotselinge bewegingen met de arm maken en niet te zwaar tillen. Tijdens periodieke controles zal de pacemakertechnicus de werking van de pacemaker blijven controleren.