header_cardiologen3

Dotterbehandeling

Met een dotterbehandeling, ook wel Percutane Coronaire Interventie (PCI) genoemd, kan een vernauwing in de kransslagaders worden behandeld. Hierbij wordt een katheter met daarop een kleine ballon in een kransslagader gelegd, waarna de ballon onder hoge druk wordt opgeblazen. Hierdoor wordt de vaatwand opgerekt en kan het bloed weer goed doorstromen.

 

Om de kransslagader open te houden wordt aansluitend vaak een stent geplaatst. Dit is een stukje metaal dat vergelijkbaar is met een balpenveertje. De stent zit over een ballon op het uiteinde van een katheter. Wanneer de ballon wordt opgeblazen rekt de stent uit en komt tegen de vaatwand aan te liggen. Als de ballon vervolgens leegloopt en de katheter wordt weggehaald blijft de stent in de kransslagader achter. Om een nieuwe vernauwing in deze stents tegen te gaan wordt steeds meer gebruik gemaakt van stents die gedurende een bepaalde tijd een medicijn loslaten.

 

Naast de behandeling met een ballonnetje en een stentplaatsing kan de vernauwing ook worden opgeheven door de verkalking weg te slijpen of een stolsel via een katheter op te zuigen.

 

De behandeling

 

Een procedure voor een dotterbehandeling is voor een groot deel gelijk aan die voor een hartkatheterisatie. Tijdens het opblazen van de ballon wordt de kransslagader tijdelijk afgesloten, wat kort pijn op de borst kan geven. Na de behandeling wordt met röntgenapparatuur gecontroleerd of bloeddoorvoer voldoende is hersteld. Na de ingreep blijft de patiënt meestal een nacht in het ziekenhuis.

 

Om het het herstel na een dotterbehandeling te bevorderen biedt het Antonius Ziekenhuis na ontslag poliklinisch 'hartrevalidatie' aan. Tijdens dit programma is aandacht voor het verbeteren van de conditie, voorlichting en verwerking door middel van verschillende deelprogramma's.  Lees meer over hartrevalidatie of bekijk de folder.