header_cardiologen3

Ablatie

Radiofrequente katheterablatie, kortweg ablatie genoemd, is de behandeling van hartritmestoornissen door het wegbranden van cellen in het hart. De ingreep wordt soms aansluitend op een elektrofysiologisch onderzoek gedaan, maar kan ook op een later moment plaatsvinden.

 

Tijdens een ablatie wordt een katheter door middel van stroom verwarmd. Wanneer de juiste temperatuur is bereikt worden kleine stukjes hartweefsel weggebrand. Op die plaats ontstaan vervolgens kleine littekens. Met een ablatie kunnen diverse oorzaken van een hartritmestoornis worden behandeld. Zo kunnen gebieden in het hart waar spontaan elektrische prikkels ontstaan worden uitgeschakeld. Daarnaast kan een afwijkend verloop van een elektrische prikkel worden onderbroken. In beide gevallen is het doel van de ablatie om het normale verloop van prikkels in het hart te herstellen. 

 

De behandeling

 

Een ablatie vindt plaats op de hartkatheterisatiekamer. Na plaatselijke verdoving worden de liezen aangeprikt, waarna katheters worden opgeschoven naar het hart. Als de katheter op de juiste plaats tegen de hartwand ligt wordt de punt verwarmd en een stukje weefsel weggebrand. Deze handeling wordt vele malen herhaald, waarbij de katheter telkens een klein stukje wordt opgeschoven. De patiënt kan een branderig, soms pijnlijk gevoel krijgen tijdens het wegbranden.

 

Om te bekijken of de ablatie succesvol is, wordt geprobeerd om de ritmestoornis opnieuw uit te lokken. De patiënt krijgt hiervoor medicijnen om het hart gevoeliger te maken, waarna elektrische prikkels worden toegediend om een ritmestoornis op te wekken. Wanneer een ritmestoornis uitblijft is de behandeling klaar.